Open reactie aan Onno Hoes

Karlijn Roex, 6 november 2019

Op 4 november verscheen er een interview met de oud-voorzitter van het Schakelteam Personen met Verward Gedrag in de Algemeen Dagblad en de regionale bladen van deze krant. De krantenkoppen waren meedogenloos: ‘Zet verwarde personen eerder vast’, en we werden weer eens dodelijker genoemd dan terroristen. Ik heb besloten me te verdedigen tegen deze normalisering van het problematiseren van onze vrijheid – waarbij ‘ons’ verwijst naar alle mensen met het etiket ‘verwarde personen’. Twee persartikelen van mij volgden op 6 november: in Dagblad de Limburger en Sociale Vraagstukken. Onno Hoes reageerde daarop via Twitter: ‘Als je mijn uitleg hebt gehoord, hoorde je ook de nuance. Krantenartikel ging niet over ALLE mensen met verward gedrag, maar juist EXPLICIET over (beperkte) groep die óók (potentieel) gevaarlijk is. En in het eindrapport van het Schakelteam is dit ook expliciet benoemd.’ Hier schrijf ik graag een open, wat uitgebreidere, reactie terug.


EINDRAPPORTAGE SCHAKELTEAM

Dat klopt, wat u meldt over de Eindrapportage. Sterker nog, jullie 'taskforce' uitte deze nuance wel vaker. In mijn boek (op pagina 253-4) noem ik zelfs de plek uit het door u genoemde rapport waar de nuance wordt geplaatst. Ik schrijf het volgende:

‘Het Schakelteam Personen met Verward Gedrag nuanceert in hun rapporten: ‘De meeste mensen met verwardheid zijn geen gevaar.’ Diens voorganger, het Aanjaagteam Verwarde Personen stelde: ‘Een relatief klein deel veroorzaakt overlast of pleegt misdrijven.’ En ik zal waarschijnlijk ook niemand treffen op straat die bij navraag zal beweren dat elke ‘verwarde persoon’ agressief is of op één of andere wijze een acuut gevaar vormt. Er wordt opnieuw voorbijgegaan aan een veel dieper probleem, dat helaas ook flink is gevoed door een Aanjaagteam en een Schakelteam. De meeste ‘verwarde’ mensen zijn weliswaar geen gevaar, benadrukken deze commissies, maar de ‘verwarde’ wordt door hen wél op een onheilspellende vier-fasen schaal gelegd waarop ze kunnen afglijden naar strafbaar gedrag als een ‘persoonsgerichte aanpak’ uitblijft.

Bovendien: laten we niet om de olifant in de kamer heenlopen. Gevaar staat nog steeds in de definitie van ‘personen met verward gedrag’ door het Schakelteam: ‘Het gaat om mensen die de grip op hun leven (dreigen te) verliezen, waardoor het risico aanwezig is dat zij zichzelf of anderen schade berokkenen.’ Bij elke ‘verwarde’ doemt met zo’n definitie tóch weer het schrikbeeld op van iemand met een steekwapen, die het in zichzelf zal steken of in een ander. Het nuanceren dat de meeste ‘verwarden’ niet gevaarlijk zijn, in de onschadelijke fasen van ‘verwardheid’ zitten, sluit niet het vooroordeel uit dat zij gevaarlijker gaan worden dan mensen zonder ‘verwardheid’. Juist daarom wordt een stevige (agressieve?) preventieve ‘persoonsgerichte aanpak’ ook zo belangrijk bij die onschuldige dame met een paniekaanval.’

Blz 255:

Het probleem wordt geïllustreerd door het feit dat we bij normale mensen niet steeds hoeven te benadrukken dat maar een ‘klein’ percentage ‘gevaarlijk’ is.’


DESALNIETTEMIN GEVAARLIJK

Het lanceren van een krantenartikel waarin die nuance wordt weggelaten, of wordt verstopt in kleine bijzinnen – ook al wordt die elders wél uitgediept – draagt bij aan een heel scala aan gewelddadige vooroordelen en neigingen die al diep zijn ingeroest in de samenleving. En is dus zeer schadelijk en kwalijk. Krantenkoppen als ‘Zet verwarde mensen eerder vast’ normaliseert een repressie jegens vele onschuldige mensen. De schade is al gedaan voordat de uitleg volgt, bepaalde gedachteschema’s van lezers zijn al tactisch geactiveerd. Ik maak niet graag de vergelijking, maar dit is wat de fascisten ook slim toepasten in de jaren dertig.

Hoe goedbedoeld we ook nuanceren in deze discussie: de schadelijke impact van uitlatingen zit al in de hele term ‘verward gedrag’ ingebakken. Daarom pleit ik ervoor niet meer méé te doen aan discussiëren óver ‘mensen met verward gedrag’, maar over de hele term en discussie zélf. De zeer brede, eigenlijk ook abstracte term suggereert een oorzakelijk verband tussen op straat liggen te huilen door huisuitzetting of psychiatrische problematiek enerzijds, en het plegen van een bioscoopmoord anderzijds. Tussen deze twee heel verschillende situaties en handelingen verschijnt opeens een afglijdschaal. Het huilen en schreeuwen wordt een voorstadium, een ‘vroegsignaal’ van het plegen van een moord. Maar daar is helemaal geen bewijs voor. Het is een goedkoop misbruik van de wetenschappen. Blijven interventies uit – die vaak van heel dwingende en disciplinerende aard kunnen zijn – dan zal de schreeuwer een moordenaar kunnen worden.


BEVOOROORDEELDHEID ALS PERFECTE RISICOTAXATIE?

Zorgelijk vind ik bovendien dat het oordeel van de ‘niet-verwarde’ omgeving van een persoon buiten alle discussie staat: bezorgde familieleden of buren die denken dat iemand een moord gaat plegen. Dan hebben we het over gevallen waarin we niet al aanwijzingen hebben die mogelijkheden bieden binnen het strafrecht om iemand aan te pakken: een concrete bedreiging of zichtbare voorbereidingen treffen voor het plegen van een moord of aanslag. We hebben het echt puur over vermoedens, waarbij de verleiding groot is al iets te doen. Maar we leven in een rechtsstaat, niet in een politiestaat, dus hebben we daar een grens getrokken. Te vaak hebben we groepen in de samenleving verdacht gemaakt en onrecht aangedaan. Daarom is die grens er. Je bent schuldig tot het tegendeel bewezen is. In het krantenartikel toont u een onfeilbaar geloof in het risicotaxeringsvermogen van burger en psychiater, waarbij zelfs de laatsten – met al hun expertise en gevalideerde middelen – toegeven dat gevaar en agressie voorspellen heel lastig is. Het lijkt soms wel dat juist degenen die veel weten, ook weten hoe weinig ze weten (heel Socratisch). De vermoedens van burger en psychiaters zijn al helemaal niet te vertrouwen als hun bewustzijn (en onderbewustzijn) gevoed wordt door angstige krantenkoppen en aanklagerige (oud-)politici. We moeten accepteren dat de toekomst en het hele leven onzeker zijn.


-     We moeten accepteren dat de toekomst en het hele leven onzeker zijn.


IK BEN DE COLLATERAL DAMAGE VAN JULLIE VEILIGHEIDSUTOPIE

U stelt ‘Het risico dat je iemand te vroeg in bewaring stelt, moeten we dan maar nemen. Dit duidt geen uitstel’. We zijn dus op het punt dat officiële stemmen meer angst gaan uitspreken voor de false negative dan voor de false positive, dé aanwijzing van controlestatelijke neigingen. False negatives zijn risicotaxatie-jargon voor mensen als Bart van U. . Mensen die gevaarlijk zijn, maar niet gevaarlijk worden bevonden en vrij mogen rondlopen en dan een moord plegen. Deze gevallen komen maar heel zeldzaam voor, en zelfs al zouden we ze opsluiten: dan nog zullen er wel moorden plaatshebben in de tragische realiteit van het samenleven. Over deze false negatives lezen we heel veel verhalen in de media. Maar de verhalen van de false positives horen we nooit, en dat is de reden dat ik – verschillende malen een false positive – een boek schreef: ‘In verwarde staat’. De false positives zijn mensen die onterecht als gevaarlijk worden bestempeld. Die worden aangehouden, in bewaring worden gesteld, terwijl ze in hun vrijheid gewoon hele onschuldige dingen zouden hebben gedaan. Een false positive worden voelt als het terechtkomen in een verkeerde film. Het is een nachtmerrie, een situatie die je niet zelf kunt omkeren. Ik ben verschillende malen in de false positive situatie terechtgekomen, en dat is zeer traumatisch. Nu lees ik dat de samenleving genoegen neemt met meer false positives. Ik ben de collateral damage van de samenleving die geen risico meer duldt. Maar hoe zit het dan met ons risico? Dat van degenen die steeds false positive worden? Steeds vals beschuldigd worden van een toekomst die we niet kunnen tegenspreken?  

Ik ben zelf door een opstapeling van misverstanden (die ontaarden in E33-meldingen) en een selectief, ongunstig geregistreerd instantieverleden als zo’n tijdbom bestempeld – in Duitsland. De gevolgen waren immens en traumatisch. Opeens bij heldere hemel politie in mijn huis, en dreigende gedwongen opname. De data vertelden niet het hele verhaal. Ze tellen op in een angstsamenleving tot een onheilspellende voorspelling. Het is op zo’n ogenblik voor mij onmogelijk de projectie van tijdbom te tegenspreken. De agenten en de arts zitten immers niet meer in het hier-en-nu, het enige gebied waar tastbaar bewijs en tegenbewijs zich bevindt. Ze zeiden: “Je bent de hele tijd zo normaal en kalm, maar je hebt een problematische geschiedenis. En straks gebeurt er over een paar dagen iets als we je laten gaan.” Zij zitten in een selectieve afbeelding van het verleden en in de toekomst. Ik in het heden. Naar het heden luisteren zij niet. Verleden kan ik niet ontkrachten en toekomst niet aantonen. Het is een Catch 22.  

Over mijn ervaringen als false positive, waarvan de ergste in Duitsland waar instanties al heel goed informatie deelden volgens het gedroomde scenario van de Nederlandse ‘taskforces’, ga ik graag een keer in gesprek met u, Onno Hoes. Een deel kunt u lezen in het tweede en het vierde hoofdstuk van mijn boek (bijvoorbeeld pagina 170 onder de paragraaf ‘data doubles’). Ik vind het fijn dat u het debat met mij bent aangegaan. 








LinkedIn